Dubbel loyaal.


'We neame har tankber wer Maaike' (We noemen haar dankbaar opnieuw Maaike) staat er op mijn geboortekaartje. Vroeger, na de kerkdienst gingen we naar het kerkhof, waar ik zingend en huppelend rondsprong. 'Ons meest levenslustige kind' word ik genoemd.

Mijn kant is dat ik me wezenloos gedacht heb over mijn leefmotieven. Komt mijn gedrag voort uit persoonlijk belang of uit relatiebelang? Doe ik wat ik doe om me zelf of om het geheel? Waar eindig ik en waar begint de ander? Ik ben een slecht mens, ik schiet te kort. En vooral: ik moet voor twee mensen leven. Wie mag ik zijn?


Na de geboorte van mijn zus Maaike (1951-1956) kregen mijn ouders drie zonen en daarna volgde ondergetekende. Maaike leed aan microcefalie, was geboren met gesloten fontanel. Een aandoening die haar 'ongeschikt voor het leven maakte'. Dit zijn de woorden van mijn ouders. Dit kan op papier overkomen alsof ze een oordeel velden over haar. Niets is minder waar: alleen haar hersenstam werkte, waardoor ze kon slapen en wakker zijn, slikken, huilen en vermoedelijk pijn voelen. Ze kon niet zelf bewegen of groeien. Ze overleed bijna zes jaar oud. Door de goede zorgen van zowel mijn ouders als mijn grootmoeder leefde ze bijna zes jaar. Dat was langer dan de twee jaren die door de medici waren. Zij en ik verschillen vier jaar + zesendertig uur.


Paradox.

Naast zijn bekommernis om vluchtelingen ontwikkelde Nagy zijn eerste concepten over loyaliteit door overlijden en rouw in een familie. Er treedt regelmatig een zichtbare stagnering van individuele groei op na een overlijden van familieleden. Nagy vraagt zich af of mensen ter wille van het geheel afstand doen van individualisering. Alsof er een cluster van gedrag en codes ontstaan is na het overlijden die zorg dragen voor elkaar preferentie laat hebben boven  de persoonlijke groei. De gezinsboodschap na rouw is vaak er is al zo veel pijn en verdriet, laten we elkaar het niet nog moeilijker maken. Het probleem lijkt te zijn hoe van de rouwperiode over te gaan naar codes die uitgaan van ons leven gaat verder. Niet deloyaal willen zijn en toch verder leven. Dit wordt in sommige gezinnen een paradox, een spanning, die om een uitweg zoekt.

Ontreddering na een overleden kind is onontkoombaar. Clienten zeggen 'dit gun je je ergste vijand niet'. Als therapeut vraag ik me af of je het lelijke woord rouwverwerking wel kunt noemen bij deze situaties. Overleden kinderen zijn niet weg, ze zijn aan de Overkant, onbereikbaar geworden voor levende mensen. Daarmee is het nog altijd 'ons kind'. Soms is rouw te zwaar, te veel, bezwijken mensen er onder, ze willen het afwentelen. Een nieuwgeboren kind kan als een bron van troost, nieuw leven en vertrouwen worden gezien. Sommige ouders leunen zodoende meer op het kind dan goed is voor de ontwikkeling van het kind.


In het boek 'Kinderen en de dood' wordt het volgende uitgewerkt: 'de dood van een kind is vermoedelijk het zwaarste verlies dat een gezin kan treffen. Het gemis van dit kind heeft voor de ouders geen einde, ook als de depressieve fase voorbij is. Het kan een remedie tegen de pijn lijken om de ontstane leegte te vullen met een nieuwe kind. wanneer dat kind de erfgenaam wordt van de onvervulbare verwachtingen die de ouders van het overleden kind hadden, wanneer de ambivalentie van de ouders vertaald wordt in overbezorgdheid en wanneer het kind bovendien nog te maken heeft met de depressie van de rouwende ouders, dan loopt een dergelijk kind een aantal specifieke ontwikkelingsrisico's die we samenvatten onder de noemer: 'het is een vervangkind'.  Ook kinderen die al geboren waren bij de dood van hun broertje of zusje, kunnen de rol van vervangkind krijgen of nemen.

Dit boek zegt dat niet alle kinderen die geboren worden na een overleden broer of zus een vervangkind worden. Wat meespeelt is: depressiviteit bij de ouders, de nog hevige rouw bij de ouders over het overleden kind en wensvoorstellingen bij de ouders over het overleden kind.

Als gevolg hiervan voelen vervangkinderen zich snel schuldig naar de ouders. Wat zich tijdens de volwassenheid kan uitbreiden naar partnerrelaties en eigen kinderen. Het om deze reden vatbaar zijn voor te grote schuld- en verantwoordelijkheidsgevoelens wordt niet altijd door de omgeving herkend.


Dubbel loyaal.

Ik herken me niet in de term vervangkind. Dit gaat nog te veel over het kind dat overleden is. Ik pleit voor dubbel loyaal. De essentie zoals ik het voel is dat ik voor twee kinderen moest leven. Kan ik een 'goed mens' zijn als ik (niet) ontkom aan de vergelijking met een overleden kind, vroeg ik me af. Het is een existentiële kwestie met psychologische en relationele gevolgen. Het speciale is dat de individualiteit van het nieuwgeboren kind te weinig wordt gehonoreerd. Het is als het zijn van één kant van een medaille: de levende kant;  terwijl de andere kant het overleden kind is. De dood en het leven in zich verenigen als opdracht,  delegaat. De ouders willen troosten door het eigen zijn, door groei en ontwikkeling te laten zien. Daarmee vreugde brengen, troost brengen, de ouders helpen. Het begin en het einde van de zelfafbakening raakt zoek: waar doe ik de dingen omdat ik het zelf wil en waar gedraag ik me zoals ik het doe omdat mijn ouders dit nodig hebben om over het verdriet heen te komen?

Is loyaal-zijn dan nog op basis van preferente keuzes vanuit het eigen ik of is loyaal-zijn voldoen aan een opdracht die bestaat uit de verwachtingen van ouders aan het levende kind? Zo ontstaat de notie 'ik besta voor twee kinderen'. Verwarring alom op relationeel en individueel niveau. Is een dubbel loyaal kind geparentificeerd te noemen? Ja, dat lijkt me zeker het geval.


Er iets aan doen. 

Hoe sta ik tegenover mijn zus? Ik heb gerouwd om het niet hebben van een zus. Door haar handicap weet niemand wie ze is. Hoe verhoud ik me tot 'niemand'?

Ik heb er de nodige therapie over gehad en ik weet nog goed de opluchting toen de therapeut zei dat ik voor één mens hoef te leven. 'Voor maar één mens?!' riep ik uit.

In het willen vinden van mijn eigen identiteit heb ik voornaamwijziging aangevraagd via een rechterlijke procedure. Maar niet na met mijn ouders en grootouders gesproken te hebben. 'ja kind, daar stonden we niet bij stil dat dit voor jou een last zou zijn, hoe fout is dit'. Ze hebben de proceskosten betaald. Het is de kracht en de vitaliteit van mijn familie om ruimhartig in te zien welke last onbedoeld op mij is gaan rusten. Nu heet ik dus Anne-Maeike, naar beide beppe's, zelf gekozen, evenwichtig verbonden: een prachtige naam.


De relationele cirkel waarin we als gezinsleden onbedoeld in gevangen raakten, was niet door ons alleen te doorbreken. Predikanten, therapeuten en familieleden hebben oog gehad voor de situatie. De last wordt over meer mensen verdeeld, mijn dank daarvoor.



Anne-Maeike Jorritsma.              


Contextueel (leer)therapeut, supervisor, redactielid.


Literatuur:


Kinderen en de dood.

A. Ladan en H. Groen-Prakken, NPI-reeks, 90 2323 170 8


Riet Fiddelaars-Jaspers: diverse publicaties over dood en rouw bij kinderen.


Corien van Zweden, De kunst van het rouwen, over een doodgeboren zusje.